Gods hart achter de tienden – deel 2
Van de wet naar het hart
Hoofdgedachte
Wij leven niet meer onder de ordening van het oude verbond, maar onder het nieuwe verbond. Gods hart van barmhartigheid is niet veranderd. Daarom gaat geven niet om een opgelegd percentage, maar om een vrijgevig, rechtvaardig en verantwoordelijk hart.
Gemeente,
Twee weken geleden hebben we gekeken naar de tienden binnen de wereld van Israël.
We zagen dat de tienden geen losse financiële regel waren.
Ze maakten deel uit van Gods ordening voor Zijn volk.
Voor de Levieten.
Voor de dienst aan God.
Voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.
En we ontdekten iets belangrijks:
Achter de tienden zagen we Gods hart.
God wilde niet dat mensen vergeten werden.
Maar vandaag leven wij niet meer in diezelfde samenleving.
Dus de vraag voor vandaag is:
Hoe moeten wij als gemeente van Christus omgaan met geven?
Daarvoor moeten we kijken naar wat er veranderde met de komst van Jezus.
Het oude en het nieuwe verbond
De tienden waren onderdeel van het verbond dat God met Israël had gesloten.
Een verbond met:
- een volk;
- een land;
- een eigen wet;
- priesters;
- offers;
- de tabernakel en later de tempel.
Maar de Bijbel spreekt ook over een nieuw verbond.
Een beter verbond.
Niet omdat het oude verbond slecht was, maar omdat het vooruitwees naar iets beters.
Naar Christus.
Het voorhangsel scheurde
Toen Jezus aan het kruis stierf, gebeurde er iets bijzonders.
Het voorhangsel in de tempel scheurde.
Van boven naar beneden.
God Zelf maakte de weg open.
Het voorhangsel scheidde het heilige van het allerheiligste.
Maar het offer waarvoor de tempel eeuwenlang vooruitwees, was nu gebracht.
Jezus was het volmaakte offer.
De tempel was nooit het einddoel.
De offers wezen naar Christus.
De priesterdienst wees naar Christus.
De verzoening wees naar Christus.
En toen Christus kwam, was het doel bereikt.
De gemeente is niet de vervanging van de tempel
Daarom moeten we voorzichtig zijn met de gedachte:
“De tempel is vervangen door de kerk.”
De tempel had een heel andere functie.
Daar waren de offers.
Daar was de priesterdienst.
Daar vond de eredienst van Israël plaats.
De tempel wees naar Christus.
De gemeente neemt die functie niet over.
Wij brengen geen verzoeningsoffers.
Het offer is gebracht.
Eenmaal.
Volmaakt.
Door Jezus.
In veel opzichten heeft de gemeente daarom meer overeenkomsten met de synagoge
- samenkomen;
- onderwijs;
- gebed;
- gemeenschap.
Dus we kunnen niet zomaar zeggen:
Tempel → kerk → tienden.
Wij leven in een andere verbondssituatie.
Jezus en de Farizeeën
Maar Jezus sprak toch over tienden?
Ja.
Tegen de Farizeeën zei Hij:
“U geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het belangrijkste van de wet na: het recht, de barmhartigheid en de trouw.”
En dan zegt Jezus:
“Deze dingen moest men doen en die andere niet nalaten.”
Jezus zegt dus niet dat tienden verkeerd waren.
De Farizeeën leefden toen nog onder de wet.
Maar Hij laat zien wat er mis kan gaan.
Ze waren heel nauwkeurig met hun tienden.
Maar ondertussen vergaten ze:
recht, barmhartigheid en trouw.
Je kunt de regel uitvoeren...
en toch Gods hart missen.
Paulus kende de wet
En dan komen we bij Paulus.
Paulus kende de wet van Mozes uitstekend.
Hij was opgevoed als Farizeeër.
Hij kende de Schrift.
Hij kende de voorschriften.
En juist daarom is het opvallend wat hij schrijft over het ondersteunen van mensen die zich inzetten voor het Evangelie.
In 1 Korinthe 9 verdedigt Paulus het recht van hen die het Evangelie verkondigen om daarvan te leven.
Hij gebruikt daarvoor verschillende voorbeelden:
Een soldaat dient niet voor eigen rekening.
Wie een wijngaard plant, eet van de vrucht.
Wie een kudde weidt, gebruikt de melk.
En Paulus haalt zelfs de wet van Mozes aan:
“U zult een dorsende os niet muilbanden.”
Paulus kende de wet dus uitstekend.
Maar wat doet hij?
Hij beroept zich niet op de tienden.
Hij zegt niet:
“Daarom moet iedere gelovige tien procent geven.”
En dat is opvallend.
Want als Paulus ergens de gelegenheid had om de tienden als verplichting voor de gemeente naar voren te brengen, dan was dit zo'n moment geweest.
Maar hij doet het niet.
Wat leert Paulus dan wel?
Paulus spreekt wél veel over geven.
Maar hij legt geen uniform percentage op.
In 2 Korinthe 8 gaat het over geven naar wat iemand heeft. Dus naar vermogen.
En in 2 Korinthe 9: 7 zegt hij:
“Laat ieder geven zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang.”
Niet uit dwang.
Maar vrijwillig.
Vanuit het hart.
Naar vermogen.
Dat betekent niet dat geven vrijblijvend wordt.
Het betekent dat geven een verantwoordelijkheid wordt die je persoonlijk voor God draagt.
Gelijke percentages zijn niet altijd rechtvaardig
Want een percentage zegt niet alles.
Denk aan twee mensen.
Een ondernemer.
Hij ontvangt bijvoorbeeld een gewaardeerd loon van €3.000.
Hij geeft tien procent.
Maar zijn onderneming betaalt zijn auto.
Zijn laptop.
En misschien andere voorzieningen die hij ook privé kan gebruiken.
Dan zijn die kosten niet op dezelfde manier onderdeel van zijn privé inkomen.
Dan hebben we een werknemer.
Ook €3.000 salaris.
Ook tien procent.
Maar hij moet zijn auto zelf betalen.
Zijn laptop.
Zijn andere noodzakelijke kosten.
Allemaal uit hetzelfde salaris.
Beiden geven €300.
Het percentage is gelijk.
Maar hun werkelijkheid is niet gelijk.
Daarom:
Gelijke percentages betekenen niet automatisch gelijke offers.
Het probleem zit niet bij de ondernemer.
En ook niet bij de werknemer.
Het probleem ontstaat wanneer we een percentage tot een absolute norm maken zonder naar de werkelijkheid van mensen te kijken.
Onze samenleving is anders
Wij leven niet in de samenleving van het oude Israël.
Israël was een volk met een eigen land, een eigen wet, priesters, Levieten en een tempel. De tienden maakten deel uit van die maatschappelijke en geestelijke ordening.
Onze samenleving is heel anders ingericht. Wij hebben belastingen en sociale voorzieningen.
Een deel van de zorg voor mensen die anders gemakkelijk vergeten worden, wordt vandaag al gezamenlijk gedragen. Denk aan bijstand, ouderenzorg en bescherming van kinderen.
Dat is natuurlijk niet hetzelfde als vrijwillig geven aan God. Maar het is wel iets waarmee we rekening mogen houden wanneer we nadenken over wat God vandaag van ons vraagt.
God vraagt geen rekensom
En daarmee komen we terug bij die tien procent.
Die tien procent was geen magisch getal.
Het was onderdeel van een concrete ordening.
God wist wat nodig was voor:
- de Levieten;
- de dienst;
- de kwetsbaren;
- de gemeenschap.
Daarom mogen wij vandaag niet automatisch zeggen:
“Israël gaf tien procent, dus iedere christen moet onder alle omstandigheden precies tien procent geven.”
Onze samenleving is anders.
Onze verantwoordelijkheden zijn anders.
Onze lasten zijn anders.
En een deel van de zorg wordt al op een andere manier gedragen.
Daarom is de vraag niet:
“Hoe kom ik aan tien procent?”
Maar:
“Wat vraagt God van mij, gegeven wat ik heb en wat ik kan dragen?”
Vrijheid is geen vrijbrief
Maar het nieuwe verbond betekent ook niet:
“Dan geef ik gewoon niets.”
Paulus roept juist op tot vrijgevigheid.
Niet:
“Hoe weinig kan ik geven?”
Maar:
“Hoe kan ik met wat God mij heeft toevertrouwd iets betekenen voor een ander?”
Dat is de verantwoordelijkheid die bij vrijheid hoort.
Terug naar Gods hart
En daarmee komen we weer terug bij waar we vorige week begonnen.
Gods hart is niet veranderd.
Hij is nog steeds:
De God die ziet.
De God die zorgt.
De God die niemand wil vergeten.
Wat veranderd is, is de verbondssituatie.
Wij leven niet meer onder de maatschappelijke ordening van het oude verbond.
Wij leven onder het nieuwe verbond.
En dat nieuwe verbond maakt geven niet minder belangrijk.
Het maakt het persoonlijker.
Niet alleen:
“Wat staat er in de wet?”
Maar:
“Wat legt God in mijn hart?”
Slot
Daarom wil ik niet dat wij vandaag naar huis gaan met alleen de vraag:
“Moet ik tien procent geven?”
Ik hoop dat we met een andere vraag naar huis gaan:
“Hoe wil God dat ik omga met wat Hij mij heeft toevertrouwd?”
Misschien is tien procent voor jou een goede richtlijn.
Misschien kun je meer geven.
Misschien kun je op dit moment minder geven.
Maar laat het nooit een kwestie worden van angst, dwang of schuld.
Laat het een kwestie worden van:
vertrouwen.
verantwoordelijkheid.
vrijgevigheid.
En vooral:
liefde.
Want uiteindelijk gaat het niet om de rekensom.
Het gaat om het hart achter de rekensom.
God wil niet alleen dat wij geven.
Hij wil dat Zijn hart zichtbaar wordt in ons leven.
Een hart dat ziet.
Een hart dat zorgt.
Een hart dat deelt.
Een hart dat vrijgevig is.
Dat is leven vanuit het nieuwe verbond.
Amen.